KnasterKOPF
En français

English Edition

Deutsche Ausgabe



No. 18/2005

No. 17/2004

No. 16/2003

No. 15/2002

No. 14/2001

No. 13/2000

No. 12/1999

No. 11/1998

No. 10/1997

No. 9/1997

No. 8/1996

No. 7/1995

No. 6/1992

No. 5/1991

No. 4/1991

No. 3/1990

No. 2/1990

No. 1/1989


Inhoudsopgave no. 7/1995


Tabaksverpakking, etiket van de Firma Roi & Co, Parijs, 19e eeuw, uit Elias Erasmus (Paul Otto/Hans H. Bockwitz): Alte Tabakzeichen. Berlin 1924, pl. 14, No. 1)



Voorwoord

Ruud Stam:
Een vondst van kleipijpen van de pijpenmaker M.P. in Keulen
internationaal gangbare modellen.

Rüdiger Articus:
Een historische vondst van een kleipijp

Margret Karras:
Fragmenten van kleipijpen uit het Westerwald als bodemvondst in Ahaus

Hans Gnettner:
Productie van kleipijpen in Lesum

Rüdiger Articus:
Een tot nu toe onbekende kleipijpenfabriek in Marne, district Dithmarschen

Olaf Rennebeck:
"Dat je door de tabaksdamp nauwelijks drie stappen ver kan zien"

Rüdiger Articus:
"Hoe de onvoorzichtige tabaksroker geweerd moge worden"

Walter Morgenroth:
Kleipijpen uit Oost-Friesland voor tabaksrokers in Hannover in de Biedermeiertijd

Ekkehard Reiff:
Vondsten van kleipijpen uit de Oberharz. Een eerste overzicht

Rüdiger Articus:
Kleipijpen uit een scheepswrak uit de vroege 17de eeuw

Martin Kügler:
Bericht over de achtste bijeenkomst van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen" op 30 april en 1 mei 1994 in Mannheim

Verwijzingen

Recensies

Nieuwe literatuur

 
 

 

Doppelkonische Fersenpfeife mit den Herstellerinitialen "MP", Köln um 1680/90

No. 7/ 1995, p. 2-20
Ruud Stam: Een vondst van kleipijpen van de pijpenmaker M.P. in Keulen

Keulen is een van de oudste productiecentra van kleipijpen in Duitsland, dit blijkt echter tot op heden alleen uit de archieven. In 1989 heeft het museum van de stad Keulen een vondst van ca 200 koppen en stelen van kleipijpen verworven. De bezitter gaf aan dat deze alle tezamen in een kleine oven gevonden zijn. Deze verklaring wordt ondersteund door de waarneming dat talrijke pijpen bij een te hoge temperatuur gebakken zijn en mogelijk tot één baksel behoren. De pijpenkoppen zijn dubbel conisch of trechtervormig en zijn rond 1680 te dateren. Op basis van de vorm van de kop en de versiering zijn tien groepen te onderscheiden. Merken komen niet voor, maar de pijpen uit de groepen II, IV en IX hebben de initialen M.P. op de pijpenkop. Tot nu toe is het niet mogelijk deze initialen met een bij naam bekende Keulse pijpenmaker in verband te brengen. De pijpen hebben nadat zij gevormd zijn slechts een vluchtige bewerking ondergaan. De vormen zijn vergelijkbaar met de rond 1680 internationaal gangbare modellen.
Er worden 24 modellen onderscheiden. Dit veronderstelt dat een daarmee overeenstemmend aantal pijpenvormen in de grote werkplaats van de pijpenmaker aanwezig waren. De auteur berekent dat de pijpenmaker M.P. 14 personen in dienst gehad kan hebben.

Tonpfeifen des Kölner Pfeifenbäckers "MP", um 1680/90


     
No. 7/1995, p. 20 e.v.
Rüdiger Articus: Een historische vondst van een kleipijp

Een uit die tijd stammende archeologische beschrijving van de vondsten bij de bouw van het theater in Wismar in 1841 vermeldt ook enige kleipijpen. De gebrekkige beschrijving van de kleipijpen met het merk "EB" en de vergelijking met overeenkomstige vondsten in andere steden in Noord-Duitsland maakt het mogelijk om deze pijpen in het laatste deel van de 17de eeuw te dateren.

 

No. 7/1995, p. 22-28
Magret Karras: Fragmenten van kleipijpen uit het Westerwald als bodemvondst in Ahaus

Het merendeel van de in de laatste twintig jaar in Ahaus gevonden kleipijpen komen uit Nederland en slechts weinige zijn in het Westerwald vervaardigd. Vijf daarvan dragen de steeltekst "PETER/DORNI". Deze zijn, net als een ander fragment met de steeltekst "JOHANNES/KEISER" in het laatste derde deel van de 18de eeuw te dateren. Een andere kleipijp, vermoedelijk uit dezelfde tijd, heeft het merk "K" en zou door de gebroeders Dorn in Grenzhausen vervaardigd kunnen zijn.

Rundbodenpfeife von Johannes Keiser, Höhr letztes Drittel des 18. Jahrhunderts

De kleipijpen met het merk "ISER" met een kroon boven de naam en een ster daaronder is ouder, dat wil zeggen uit de eerste helft van de 18de eeuw. Uit de 19de eeuw stamt een pijp met het merk "K" en als bijmerk op de hiel het wapen van Gouda. Deze fragmenten komen overeen met de exemplaren die M. Kügler in de kleipijpen productiecentra Höhr en Grenzhausen gevonden heeft en dragen ertoe bij de verspreiding van kleipijpen uit het Westerwald vast te stellen.

 

 

Pfeifenform aus Ton für einen facettierten Pfeifenkopf, Lesum, 2. Hälfte 18. Jahrhundert

No. 7/1995, p. 29 e.v.
Horst Gnettner: Productie van kleipijpen in Lesum

De pottenbakkerij en faiencefabriek van Johann Christoph Vielstich in Lesum bij Bremen in het voormalige keurvorstendom Hannover waren van 1758-1800 in werking. In 1982 werden bij bouwwerkzaamheden op het terrein van de fabriek van Vielstich twee helften van pijpenvormen uit klei gevonden, maar geen kleipijpen. Vermoedelijk werden kleipijpen hierin niet direct gevormd, maar dienden de vormen als model voor de vervaardiging van gipsmodellen. In de gipsvormen konden vervolgens de pijpen vervaardigd worden. Een dergelijke techniek was in de porseleinfabrieken in die tijd gebruikelijk.

 

 

 

No. 7/1995, p. 31 e.v.
Rüdiger Articus: Een tot nu toe onbekende kleipijpenfabriek in Marne, district Dithmarschen

De kleipijpenfabriek in Marne was slechts korte tijd in werking. Deze werd in 1813 door de zakenman en kruidenhandelaar Otto Friederich Frers gesticht, maar werd reeds in de zomer van 1814 door één van zijn werknemers overgenomen. Deze man, wiens naam niet bekend is, verplaatste in hetzelfde jaar de productie naar Itzehoe, waardoor in Marne slechts ongeveer een jaar kleipijpen vervaardigd zijn. Tot nu toe zijn geen voorbeelden van de productie in Marne bekend. Schriftelijke bronnen berichten over de oprichting van een pijpenfabriek in Itzehoe in 1814 door Johann Göbel. De auteur vermoedt dat hij de uit Marne afkomstige oprichter van de fabriek is.

 

No. 7/1995, p. 33-38
Olaf Rennebeck: "Dat je door de tabaksdamp nauwelijks drie stappen ver kan zien"

De auteur citeert een beschrijving van het boeren leven in de Marsch, het gebied tussen Elbe en Weser, uit 1858. Het was daar gebruikelijk om bij familiefeesten de gasten kleipijpen en tabak aan te bieden. Dit wordt ook in twee bronnen uit 1784 en 1810 genoemd. In deze bronnen worden verschillende goederen genoemd die handelaren voor twee bruiloften leverden; in beide lijsten worden grote hoeveelheden tabak genoemd; in de oudste lijst worden ook kleipijpen genoemd.

 

 

 

No. 7/1995, p. 38-44
Rüdiger Articus: "Hoe de onvoorzichtige tabaksroker geweerd moge worden"

In de 17de en 18de eeuw probeerden verschillende landheren het brandgevaar, veroorzaakt door de zorgeloze omgang met brandende tabakspijpen in te dammen door te dreigen met draconische straffen, tot de doodsstraf toe.

Zo'n wet werd in 1719 door de Hertog van Braunschweig-Lüneburg uitgevaardigd, waarin hij bij het roken van kleipijpen deksels van metaal of metaaldraad, zogenaamde "kapseln", verplicht stelde. Zulke vonkenvangers en dekseltjes worden in bronnen uit die tijd zoals landsheerlijke edicten en technische literatuur vaak genoemd en afgebeeld. Ze worden ook bij archeologische opgravingen in Noord-Duitsland gevonden.

 

Fersen- und Rundbodenpfeife
mit Kapseln aus gestricktem Messingdraht bzw. Eisenblech,
wohl deutsche Provenienz, Ende 18. Jahrhundert
  

 

 

 

No. 7/1995, p. 44-49
Walter Morgenroth: Kleipijpen uit Oost-Friesland voor tabaksrokers in Hannover in de Biedermeiertijd

In 1816 stichtte Conrad Bernhard Meyer en de koopman G. Kannegiesser in Aurich een fabriek voor kleipijpen. Naar verluid waren hier twee jaar later reeds 40 personen werkzaam, die per jaar 12.000 gros (1.728.000 stuks) pijpen vervaardigden; in 1824 zouden 75 personen in de fabriek gewerkt hebben. De in Aurich gevonden kleipijpen, die in de fabriek van Meyer vervaardigd zijn, laten de voor die tijd karakteristieke eivormige kopvorm zien. Sommige van de gebruikte merken zijn tot nu toe niet bekend. Omdat de meeste pijpen in Nederland werden afgezet, valt te vermoeden dat Goudse merken het meest benut zullen zijn. Ondanks steunmaatregelen van de staat, zoals lage belasting op de in Aurich vervaardigde pijpen kon de fabriek de sterke concurrentie van buiten niet het hoofd bieden en sloot in 1839.

 

No. 7/ p. 50-63
Ekkehard Reiff: Vondsten van kleipijpen uit de Oberharz. Een eerste overzicht

De auteur beschrijft een kleine selectie van het grote aantal kleipijpen, die in zeven mijnbouw steden in de Oberharz gevonden zijn. De kleipijpen stammen uit het laatste derde deel van de 17de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. Het zijn overwegend importpijpen uit de Nederlanden, daaronder een exemplaar met het portret van Willem IV van Oranje, de stadhouder van de Nederlanden van 1747 tot 1751 en zijn vrouw. Kleipijpen met opschriften die de hertog van Braunschweig-Lüneburg eren kunnen in het Westerwald, Uslar of in Holzminden vervaardigd zijn. Een Duitse productieplaats valt ook aan te nemen voor pijpen die mijnwerkers-motieven op de kop hebben en als merk of steeltekst de makers naam "KNECHT" vermelden. Pijpenmakers met deze naam zijn onder andere in Grossalmerode van 1729 tot 1835 bekend.

Rundbodenpfeife mit Wünschelrutengänger und Bergleuten an der Haspel vom Pfeifenbäcker Knecht, Großalmerode (?) 2. Hälfte 18. Jahrhundert

Als afsluiting bevestigt de auteur dat de langzame teruggang van het gebruik van kleipijpen in de 19de eeuw ook in het verminderd voorkomen in de vondsten af te lezen is. In die periode werd tabak aan de noord- en noordwest zijde van de Harz verbouwd en werd door de bewoners van de in het berggebied van de Oberharz gelegen steden bij voorkeur in porseleinen pijpen of als sigaren en sigaretten gerookt.

 

No. 7/1995, p. 63 e.v.
Rüdiger Articus, Kleipijpen uit een scheepswrak uit de vroege 17de eeuw

In Deich ten westen van Uelvesbüll in Noord-Friesland werd in 1994 een scheepswrak uit de 17de eeuw ontdekt. Op het ogenblik bevindt het wrak zich voor conservering in Husum. Onder de talrijke vondsten waren ook vier kleipijpen. Een pijp stak in een houten foedraal, met de initialen van de eigenaar en het opschrift "AO 16..".

 

 

No. 7, 1995, p. 65-69
Martin Kügler: Bericht over de achtste bijeenkomst van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen"op 30 april en 1 mei 1994 in Mannheim

Op uitnodiging van het Reiss museum van de stad Mannheim, archeologische verzamelingen, kwamen 26 deelnemers bijeen. I. Jensen, F.Teutsch, L. Huber, H. Maier, H. G. Rein en K. Sarri gingen in hun bijdragen in op de vanaf 1650 in het gebied Mannheim, Heidelberg en Frankenthal aangetoonde kleipijpenmakerijen. De door I. Jensen en K.W. Beinhauer ingerichte tentoonstelling "Roken en tabak snuiven in de Kurpfalz en elders" toonde veelsoortige producten uit de regio. Overige bijdragen gingen in op de ontwikkeling van de vormen van de kop van kleipijpen (W. Morgenroth), de houtenpijpen fabriek Schum in Bad König (W. Stolle) en de organisatie van de pijpenmakers in het Westerwald tijdens het Derde Rijk (R. D. Stam). De excursie ging naar het Erkenbert museum in Frankenthal, het tabaksmuseum in Hockenheim en naar een tabaksboer in Mannheim-Seckenheim.

 

 

Preise

Preisliste Vollbild


Home
KnasterKOPF
Werkgroep
Sitemap
Search (in English)
Contact
Impressum

Letzte Aktualisierung: 10.07.2005