KnasterKOPF
En français

English Edition

Deutsche Ausgabe



No. 18/2005

No. 17/2004

No. 16/2003

No. 15/2002

No. 14/2001

No. 13/2000

No. 12/1999

No. 11/1998

No. 10/1997

No. 9/1997

No. 8/1996

No. 7/1995

No. 6/1992

No. 5/1991

No. 4/1991

No. 3/1990

No. 2/1990

No. 1/1989


Band 11

Transport van kleipijpen in tonnen en manden; afbeelding op een verpakking voor kleipijpen uit Gouda, 1762, uit: G.C. Helbers/D.A. Goedewaagen: Goudsche pijpen. (Monographiae Nicotianae. Bd. 4) Gouda 1942, p. 96

Inhaltsverzeichnis:


Martin Kügler:
Verslag van de 11de bijeenkomst van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen" in Nordhausen op 3 en 4 mei 1997

Hans-Jürgen Grönke:
Uit de geschiedenis van de pruimtabak industrie van Nordhausen

Paul Lauerwald:
De tabakverbouw op het Eichsfeld

Ursel Beck / Gudrun Heinssen-Levens:
VIVAT HAMBURG - Vondsten van Kleipijpen uit de Hamburger "Neustadt"

Rüdiger Articus:
Zapfenberg-pijpen

Ralf Kluttig-Altmann:
Vondsten van kleipijpen op een perceel in de binnenstad van Leipzig

Christiane Witte:
Kleipijpen in Tönning

Rüdiger Articus:
Een bezoek aan Gouda 288 jaar geleden

Martin Kügler:
Verslag van het eerste Zwitserse kleipijpen colloquium in Liestal op 26 mei 1998

Verwijzingen

Recensies

Nieuwe literatuur

 
 

No. 11/1998, p. 1-4
Martin Kügler: Verslag van de 11de bijeenkomst van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen"
in Nordhausen op 3 en 4 mei 1997


De bijeenkomst vond plaats op uitnodiging van de "Nordhauser Geschichts- und Altertumsverrein"; 39 personen namen deel. H. -J. Grönke en P. Lauerwald belichtten in twee voordrachten de geschiedenis van de tabak in Nordhausen (Knasterkopf No. 11/1998 p. 4-13 en 13-24). E. Reiff berichtte over nieuwe resultaten van het onderzoek naar kleipijpen in de Oost-Harz. Over kleipijpen vondsten met de steeltekst "VIVAT& " uit de oude stad van Hamburg spraken U. Beck en G. Heinssen-Levens (Knasterkopf No. 11/1998, p. 25-45) en N. Fentrop sprak over fragmenten uit Soest. W. Morgenroth belichtte de sociale situatie van pijpenmakers in Ruhla en M. Kügler signaleerde de vraag over de concurrentie van pijpen gemaakt uit verschillende materialen. De excursie ging naar de sigarettenfabriek Nordhausen, het Tabakspeicher-museum en de speciale brandewijnstokerij van Nordhausen.

 

No. 11/1998, p. 4-13
Hans-Jürgen Grönke: Uit de geschiedenis van de pruimtabak industrie van Nordhausen

Reeds in 1721 wendden de tabaksspinners van de vrije rijksstad Nordhauasen zich tot de raad van de stad met het verzoek om een eigen gilde te mogen oprichten. In een lijst van de burgers van Nordhausen uit 1724 staan twee tabakshandelaaren en een (klei?)pijpenmaker. De tabaksverwerking lijkt in de 18de eeuw in de stad op een laag niveau gebleven te zijn. In de jaren na 1820 begon de bewerking van tabak echter toe te nemen en werd Nordhausen uiteindelijk de belangrijkste productieplaats van pruimtabak in Duitsland. Omdat de pruimtabakvervaardiging geen grote investeringen vergt, vestigden talrijke tabaksspinners en arbeiders eigen bedrijven, die door de grote vraag zich snel tot grote fabrieken ontwikkelden. Als resultaat van deze ontwikkeling waren er in 1880 13 fabrieken in Nordhausen die in totaal 1000 werknemers in dienst hadden en in 1925 waren er 25 fabrieken met 2000 werknemers, die 59% van de Duitse pruimtabak produceerden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog verloor Nordhausen zijn dominante positie in de Duitse tabaksproductie. Heden herinneren nog enkele fabrieksgebouwen aan de positie van Nordhausen als tabakscentrum.

Werbeschild der Kautabakfabrik Grimm & Triepel, ca. 1900/10

 

 

No. 11/1998, S. 13-24
Paul Lauerwald: De tabakverbouw op het Eichsfeld

Door de klimaatomstandigheden groeit tabak in Thuringen alleen in het zogenaamde Unterreichsfeld, dat ook als "Goldene Mark" bekend staat. De verwerking van tabak en de vervaardiging van sigaren, sigaretten en pruimtabak was in Oberreichsfeld gevestigd. In Duderstadt wordt de tabaksverbouw voor het eerst in 1660 genoemd en in 1673 vaardigde het stadsbestuur een eerste verordening uit over de tabakshandel en stelde het bestuur een tabaksinspecteur aan. Door de pest liepen de tabaksverbouw en de tabakshandel in 1682 sterk terug en deze konden zich slechts langzaam herstellen. Pas honderd jaar later kon het oude niveau gehaald worden. In de 19de eeuw werd de tabak door kleine boeren verbouwd, die zich tot afzetcoöperaties verenigden, om bij de veiling van de tabaksoogst minimum prijzen te kunnen bedingen. De handel nam vanaf 1920 af en in 1960 makte een virus een abrupt einde aan de tabaksverbouw.

     

Das Ausbringen der Tabakpflanzen im unteren Eichsfeld um 1930

 

 

No. 11/1998, p. 24-45
Ursel Beck / Gudrun Heinssen-Levens: VIVAT HAMBURG - Vondsten van Kleipijpen uit de Hamburger "Neustadt"

Tot nu toe werden 1050 pijpenkoppen en ca 3000 steelfragmenten op een stortplaats gevonden, waarheen vrijkomende grond bij bouwwerkzaamheden in de Hamburger Altstadt gebracht werd. De vondsten zijn te dateren in de 17de eeuw en het begin van de 18de eeuw. Er worden hier pijpen besproken met de steeltekst "VIVAT". Deze aanroep wordt meestal gevolgd door de naam van een machtsgebied, een stad of een persoon. De bijbehorende pijpenkoppen zijn meestal versierd met een portret of het wapen van het op de steel genoemde gebied. Een aantal pijpen draagt de tekst: "VIVAT BRAUNSCHWEIG ET LUNEBURG" en heeft op de ketel een springend paard, het belangrijkste motief uit het wapen van de hertogen van Braunschweig-Lüneburg en het jaartal 1703. Andere voorbeelden zijn eveneens rond 1700 te dateren. De aanwezigheid van pijpenmakers is in Hamburg niet aangetoond en vermoedelijk gaat het om import van onbekende herkomst.

Vivat-Pfeife mit Stieltext und springendem Pferd auf dem Kopf, Provenienz unbestimmt, dat. 1703


     

 

 

 

No. 11/1998, p. 46-49
Rüdiger Articus: Zapfenberg-pijpen

Kleipijpen met de steeltekst "ZAPFENBERG" worden best vaak gevonden, maar het was niet bekend of het om een naam van een pijpenmaker of een stad ging. Bevindingen uit literatuur vanaf 1712, waar tot op heden geen acht op geslagen is, maken duidelijk dat Zapfenberg de naam van een tabakshandelaar is. "Zapfenberg Tabak" was in de 18de eeuw een wijd verbreide merknaam. Het is evenwel niet bekend waar Zapfenberg leefde. De kleipijpen met zijn naam daarop werden vermoedelijk in opdracht van hem vervaardigd, maar de productieplaats is nog onbekend.

Rundbodenpfeife mit der Fersenmarke "6"
und dem Stieltext "SAPFEN / BERGK",
wohl deutsche Provenienz, 18. Jahrhundert


 

 

 

No. 11/1998, p. 49-55
Ralf Kluttig-Altmann: Vondsten van kleipijpen op een perceel in de binnenstad van Leipzig

Bij opgravingen in 1996 in de opgevulde stadsgracht op het perceel van de boerderij Hainstrasse 12 in het centrum van Leipzig werden ook talrijke fragmenten van kleipijpen gevonden. Onder de vondsten waren acht versierde pijpenstelen en zes pijpenkoppen met merken. Deze dateren uit de 17de tot en met de 20ste eeuw, maar vooral uit de 18de eeuw.
De pijpen zijn producten van de familie Verzijl uit Gouda en een soort "Goudse" pijpen die vermoedelijk in Sachsen gefabriceerd werden. Deze laatsten kunnen op basis van het wapen van Gouda op de zijkant van de hiel en de naam van de pijpenmaker Laspe op de pijpenkop geïdentificeerd worden.

 

Fersenpfeife mit Fersenmarke "Löwe im holländischen Garten",
Fersenseiten- und Formmarke,
wohl sächsischer Provenienz, nach 1800
  


 

 

No. 11/1998, p. 56-74
Christiane Witte: Kleipijpen in Tönning

De aantekeningen van de haveninspectie van Tönning bewijst dat er al in 1627 invoer van tabak plaatsvond. De omvang van de import van kleipijpen uit Nederland, die via Tönning naar het omliggende gebied verhandeld werden is pas in 1680 vastgelegd; deze handel zette zich in de 18de eeuw voort. De in Tönning gevonden kleipijpen bestaan daarom voor een groot deel uit producten uit Gouda. Enkele fragmenten dragen bekende merken zoals "het lam onder de boom", "Koning David met zwaard en hoofd" en de "slang". Steelteksten op enkele andere fragmenten bewijzen het gebruik van kleipijpen in Tönning in het einde van de 18de en 19de eeuw uit de Duitse productiecentra Itzehoe, Uslar en Wahmbeck.

Stielfragment aus Uslar, um 1800

 

 

 



No. 11/1998, 74-76
Rüdiger Articus: Een bezoek aan Gouda 288 jaar geleden

Op zijn reizen door Duitsland en de omringende landen kwam de uit Frankfurt afkomstige patriciër Zacharias Conrad von Uffenbach in 1710 ook naar Gouda en bezichtigde een pijpenmakerswerkplaats. In zijn reisverslag dat pas postuum uitgegeven werd, beschrijft hij het productieproces, in tegenstelling tot vele latere schilderingen, op correcte wijze.

 

 

No. 11/1998, p. 76-79
Martin Kügler: Verslag van het eerste Zwitserse kleipijpen colloquium in Liestal op 26 mei 1998

De bijeenkomst vond in het Kantonsmuseum Baselland in Liestal op initiatief van Michael Schmaedecke plaats, die in zijn bijdrage over het gebruik van kleipijpen in Zwitserland berichtte. R. Röber vergeleek kleipijpen uit Konstanz en Freiburg. Geselecteerde voorbeelden van de kleipijpen productie in de Kurpfalz uit de 17de eeuw werden door I. Jensen toegelicht. M. Kügler gaf aan de hand van schriftelijke bronnen op gedetailleerde wijze een beeld van de import van kleipijpen uit het Westerwald in Zwitserland in het late18de en in de 19de eeuw. De bijeenkomst eindigde met de presentatie van vondsten van kleipijpen uit Konstanz, de burcht Rötteln bij Lörrach, het Kantons Zug en Baselland en uit het Westerwald.

 

Home
KnasterKOPF
Werkgroep
Sitemap
Search (in English)
Contact
Impressum

Letzte Aktualisierung: 10.07.2005