KnasterKOPF
En français

English Edition

Deutsche Ausgabe



No. 18/2005

No. 17/2004

No. 16/2003

No. 15/2002

No. 14/2001

No. 13/2000

No. 12/1999

No. 11/1998

No. 10/1997

No. 9/1997

No. 8/1996

No. 7/1995

No. 6/1992

No. 5/1991

No. 4/1991

No. 3/1990

No. 2/1990

No. 1/1989


Inhoudsopgave no. 13/2000

"De tabakdrinker". Houtuitsnede uit het anonyme document "Een koorte beschrijvinge van het wonderlicke Kruit Tobacco." Rotterdam 1623.

 

Voorwoord

Martin Kügler:
Verslag van het 13de congres van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen" op 1 en 2 mei 1999 in Einbeck

Ralf Kluttig-Altmann:
Verslag over de eerste bijeenkomst van de werkgroep "Systematisering van de beschrijving van steelversieringen op kleipijpen" op 25/26 februari 2000 in Görlitz

Ralf Kluttig-Altmann:
Kleipijpen in Leipzig - tweede voorbericht over de nieuwe vondsten sinds 1990

Maren Weidner:
De vondsten van kleipijpen uit Maes bij Maasholm

Rüdiger Articus:
Vondsten van kleipijpen aan de rand van de grote stad - Opgravingen in de Schlossstrasse in Hamburg-Harburg

Alice Kaltenberger:
Vondsten van pijpen uit de vesting Kniepass, Gemeente Unken bij Lofer, Salzburg

Verwijzingen

Recensies

Nieuwe literatuur

 
 

No. 13/2000, p. 2-6
Martin Kügler: Verslag van het 13de congres van de "Arbeitskreis zur Erforschung der Tonpfeifen" op 1 en 2 mei 1999 in Einbeck

Aan het congres dat op initiatief van A. Heege en op uitnodiging van de stad Einbeck plaatsvond namen 42 personen deel. A. Heege presenteerde uitvoerig de pijpenvondsten uit Einbeck. M. Seeliger belichtte archiefvondsten over de geschiedenis van de productie van kleipijpen in Holzminden. De verbouw van tabak en de tabakshandel in Zuid-Niedersachsen werd door G. Murken uiteengezet. Gebruiken waarbij kleipijpen benut werden, werden door U. Beck toegelicht. Kleipijpen-vondsten uit Hamburg en uit Maasholm werden door Rüdiger Articus en M. Weidner gepresenteerd (Knasterkopf No. 13/2000, p. 43-54 en 29-42). L. Libert deed verslag van van de stand van zaken van het project "Tabaksmuseum Vierraden". De bijdrage van R. Kluttig-Altmann over nieuwe resultaten van de uitwerking van kleipijpen vondsten in Leipzig en zijn beschouwingen over de systematisering van rolversieringen op pijpenstelen werd intensief bediscussieerd en gewaardeerd (Knasterkopf No. 13/2000, p. 7-10 en 10-28). Tijdens de excursie werd de verzameling over de kleipijpen productie van het stadsmuseum Uslar en de pottenbakkerij Klett-Drechsler in Fredelsloh bezocht.

 

 

     

No. 13/2000, p. 7-10
Ralf Kluttig-Altmann: Verslag over de eerste bijeenkomst van de werkgroep "Systematisering van de beschrijving van steelversieringen op kleipijpen" op 25/26 februari 2000 in Görlitz

Het is de acht deelnemers van de eerste bijeenkomst gelukt een basis structuur voor een systematiek van de handmatig aangebrachte steelversieringen vast te leggen. Het doel is om richtlijnen voor een doeltreffend systeem te ontwikkelen dat de steelversieringen koppelt aan een vaste beschrijvingen en bovendien logisch structureert. De basis daarvoor waren de eerste uitgangspunten die R. Kluttig-Altmann in 1999 op het kleipijpen congres in 1999 in Einbeck gepresenteerd heeft.
Als eerste tastbaar resultaat besloten de deelnemers een nomenclatuur te gebruiken waarbij de steelversieringen type No.s krijgen. Het totaal van alle steelversieringen wordt naar de manier van aanbrengen ingedeeld. Als de in de vorm ingegraveerde versieringen eerst buiten beschouwing gelaten worden, dan kan een verdeling aangebracht worden in losse motieven, afgerolde motieven, spiraalvormige indrukken en met de vingers ingedrukte decors. Binnen een eveneens vastgestelde onderverdeling worden nu alle bekende versieringsmotieven verzameld en van een typeNo. voorzien. Op een later tijdstip wordt de alsdan volledig ontwikkelde systematiek aan een materiaalcomplex op zijn praktische bruikbaarheid getest. Na deze testfase wordt een spoedige publicatie nagestreefd om de systematiek van de wijze waarop steelversieringen aangebracht zijn, voor allen die steelversieringen beschrijven als hulpmiddel bij hun werk ter beschikking te kunnen stellen.

 

 

 
 
Detail

Detail: Fersenmarke Eule

 

 

 

 

No. 13/2000, p. 10-28
Ralf Kluttig-Altmann: Kleipijpen in Leipzig - tweede voorbericht over de nieuwe vondsten sinds 1990

Dit artikel gaat verder in op de systematische inventarisatie van de bij opgravingen in de binnenstad gevonden kleipijpen (Knasterkopf No. 12/1999, p. 74-82). Object van onderzoek zijn 119 bruikbare fragmenten afkomstig van nieuwe opgravingen. Bijzondere aandacht is daarbij besteed aan vormen en versieringen, welke nieuw zijn in vergelijking met de eerder besproken exemplaren.
Pijpenvondsten uit de 17de eeuw zijn iets algemener, zij maken 30% van de totaal gevonden fragmenten uit en 40% van de versieringen en merken. Stempels en handmatige rolversieringen zijn in de meerderheid. In de vorm gegraveerde versieringen zijn met slechts één voorbeeld vertegenwoordigd en wel een fragment van een Jonas pijp. Het spectrum aan merken is breed en dat geldt ook voor de daardoor als Goudse pijpen aan te merken exemplaren.

Het bewijs voor het gebruik van kleipijpen in Leipzig voor 1650 wordt door het nieuwe materiaal versterkt. Uit de 18de eeuw zijn veel vondsten aanwezig. Lokale producten uit de weide omgeving van Leipzig zijn spaarzaam aanwezig ("WILLE" in Grimma, "LASPE" in Altenburg of Waldenburg). De meeste vondsten zijn echte of nagemaakte Nederlandse/Goudse pijpen. Naast andere op naam bekende producenten neemt de Goudse familie Verzijl weer de voornaamste plaats in, waarbij een deel van deze pijpen mogelijkerwijs in Grimma/Sachsen vervaardigd is, omdat daar het (mede)gebruik van deze naam aangetoond is. Vondsten van kleipijpen uit de 19de en 20ste eeuw zijn zeldzaam en zijn in dit vondstmateriaal slechts met enkele geribbelde exemplaren, rondbodem pijpen en een vrijmetselaars pijp vertegenwoordigd. De uitwerking van de vondsten wordt voortgezet en de diepgaande statistische uitwerking wordt naar een later tijdstip verschoven.

     


Fersenpfeife mit doppelkonischer Kopfform und Fersenmarke "Eule", wohl Gouda 1650-1660

 

 

No. 13/2000, p. 29-42
Maren Weidner: De vondsten van kleipijpen uit Maes bij Maasholm

Sinds het begin van de jaren 70 zijn er door duikers in het bereik van de monding van de Schlei bij Maasholm, Schleswijk-Holstein bij herhaling archeologische vondsten gedaan, waaronder 347 fragmenten van kleipijpen. Als we de tijdsspanne die op de kleipijpen van toepassing is vergelijken met de schriftelijk overgeleverde tijdsduur van de bewoning van het dorp Maes (van ongeveer 1640-1701) dan zijn deze goed in overeenstemming met elkaar. De kleipijpen van oudste datum zijn iets vroeger te dateren ( rond 1625) dan de schriftelijke bronnen aangeven. Het schriftelijk vastgelegde einde van de bewoning van het dorp Maes in 1701 is aan de hand van de kleipijpen niet eenduidig vast te stellen. Er worden ook nog pijpen uit de 18de eeuw gevonden, hetgeen verklaarbaar is daar het bij een onderwater locatie niet om een gesloten vondst gaat. De kwaliteit van de gevonden kleipijp fragmenten is tamelijk slecht. Er zijn nauwelijks merken of zorgvuldige afwerkingen te constateren, in zoverre dat bij de slechte toestand van de stukken nog te bepalen is. Bijzonder dure pijpen zijn in deze kleine gemeenschap ook niet te verwachten en zo weerspiegelt de doorsnede van de pijpen de landelijke verhoudingen.


Fersenpfeife mit Mann und Frau im Relief und Buchstaben "WK" bzw. "KM", Gouda (?) Ende 17. Jahrhundert

In dit verband is het aantal pijpen-fragmenten verrassend voor deze kleine bewoning. Dit gegeven kan duiden op goede handelsbetrekkingen, welke over de waterweg van de Schlei en de Schleswig goed denkbaar zijn. We kunnen hieruit zien dat het dorp Maes door zijn vondsten een goed inzicht geeft in de rook gewoonten van het platteland. In tegenstelling met de getalsmatig vaker opgegraven kleipijpen complexen uit de stad is de kwaliteit van de gerookte pijpen hier minder. In verhouding is het aantal fragmenten behoorlijk groot, wat duidt op een stabiele economische situatie.

Fersenpfeife mit Wappen der Stadt Batavia und der Vereinigten Ostindien Compagnie, Franz Verzyl in Gouda um 1750

 

No. 13/2000, p. 43-54
Rüdiger Articus: Vondsten van kleipijpen aan de rand van de grote stad - Opgravingen in de Schlossstrasse in Hamburg-Harburg

Bij de vondsten uit de opgraving in de Harburger Schlossstrasse gaat het, op een uitzondering na, om pijpen uit de 18de eeuw. Overwegend zijn deze uit het midden van deze eeuw te dateren. Daarentegen ontbreken oudere en jongere exemplaren. Er waren oudere pijpen te verwachten omdat de opgravers tot in de 14de eeuw doorgestoten zijn. Mogelijkerwijs hangt het in de tijd nauw begrensde voorkomen van pijpen samen met de eveneens in de tijd begrensde aanwezigheid van een herberg in een huis naast de molen, waarvan de geschiedenis nog niet geheel duidelijk is. Benadrukt moet worden dat bij de pijpenvondsten Nederlandse en Duitse pijpen in ongeveer even grote hoeveelheden voorkomen. Dit kon in Harburg nog niet eerder worden geconstateerd. Meestal worden Nederlandse pijpen gevonden bij opgravingen of als losse vondsten.

 

 

 

 


 

 

No. 13/2000, p. 54-82
Alice Kaltenberger: Vondsten van pijpen uit de vesting Kniepass, Gemeente Unken bij Lofer, Salzburg

Met de kleipijpen afkomstig van de vesting Kniepass bij Unken (Salzburg) wordt voor het eerst een groot vondstcomplex uit Oostenrijk gepresenteerd. Het gaat overwegend om hielpijpen; rondbodempijpen zijn zeer zeldzaam. De meeste pijpen hebben de voor de 17de eeuw karakteristieke dubbel conische kop. Uit het einde van de 17de eeuw komen de, dan nieuwe, grotere en sterker geknikte pijpen voor. In verhouding hebben veel van de pijpen de in de tweede helft van de17de eeuw vaak gebruikte glazuur. Naast eenkleurige glazuren worden spatdecors gebruikt, die als karakteristieke manier van decoreren van vaatwerk uit Boven-Oostenrijk, Salzburg en Zuidoost-Beieren regelmatig aangetoond zijn. Dit doet vermoeden dat het aanbrengen van glazuur later in locale werkplaatsen plaats vond. Slechts twee gemerkte koppen van hielpijpen en twee stelen hebben een fijne, licht gekleurde goed geglaasde scherf, die op een herkomst uit Nederland kan duiden. Dat de tabakspijpen door de in de vesting gestationeerde soldaten van waarde werden beschouwd wordt duidelijk door de verschillende reparaties, waaronder ook de vervaardiging van een metalen huls ter verbinding van twee gebroken steel delen. Vondstcomplexen met overeenkomstige samenstelling en met vergelijkbare objecten zijn reeds van Freiburg, Breisach, Konstanz en Passau gepubliceerd.

Fersenpfeife mit den Buchstaben "E" und "G" am Kopf, deutsche Provenienz um 1680/90

Grün glasierte Tonpfeie mit floralem Dekor am Kopf,
2. Hälfte 17. Jahrhundert
 

Home
KnasterKOPF
Werkgroep
Sitemap
Search (in English)
Contact
Impressum

Letzte Aktualisierung: 10.07.2005