KnasterKOPF
En français

English Edition

Deutsche Ausgabe



No. 18/2005

No. 17/2004

No. 16/2003

No. 15/2002

No. 14/2001

No. 13/2000

No. 12/1999

No. 11/1998

No. 10/1997

No. 9/1997

No. 8/1996

No. 7/1995

No. 6/1992

No. 5/1991

No. 4/1991

No. 3/1990

No. 2/1990

No. 1/1989


Inhoudsopgave no. 15/2002



Titelbild

 

Beste lezer&

Berichten op recente bijeenkomsten

Ralf Kluttig-Altmann:
Bericht over de sessie van de werkkring voor de onderzoeking van de kleipijp van 28 tot 30 april 2001 in Grefrath

John Rogers:
Jaarlijkse sessie van de werkkring voor de onderzoeking van de kleipijp 2001

Fred Tijmstra:
De pijpendag 2001 van de Pijpologische Kring Nederland


  Over onderzoek

Rüdiger Articus:
"Pijpen hebben altijd bestaan" Over de geschiedenis van het bestuderen van de kleipijp in de 19de eeuw

Michael Schmaedecke:
Met bloemen versierde pijpenstelen uit Zuid-Duitsland en aangrenzende streken.
Aanpak tot een systematiseren van producten voornamelijk uit het gebied Mannheim/Frankenthal

Regina Geiß-Dreier:
De kleipijpenvindplaats van Schloss Oberstein

Helmut Szill:
Kleipijpenvindplaats te Erdings. Deel 2

Natascha Mehler:
Tabak en kleipijpen in IJsland in het licht van de vindplaats van Reykjavík, Aðalstræti

Mielke, Heinz-Peter:
Het Nederrijnse kleipijpenland.
Over de verspreiding van de pijpenbakkerij tussen Köln en Nederland

Bärbel Bollinger-Spang / Martin Kügler:
Van kleipijpen naar terracottabloempotten.

Ralf Kluttig-Altmann:
Richtlijnen voor het tekenen van kleipijpen


Nieuwe vondsten

Martin Kügler:
Kleipijpen van het Schönhof in Görlitz

Martin Kügler:
Een Jonas-pijp uit de 18de eeuw

David Higgins:
Bericht over de ontdekking van een pijpenoven bij Cleobury Mortimer, Shropshire/GB

Martin Kügler:
Kleipijpen uit Gelbeek/RSA


Nieuwe literatuur

Recensie
Nina Frentrop: Die frühneuzeitliche Besiedlung des Burgtheaterplatzes in Soest. Eine archäologisch-historische Studie. Soester Beiträge zur Archäologie Bd. 3, Soest 2000

Bibliografie van nieuw verschenen literatuur


Verwijzingen

Franz Wandinger: "Rooksignalen" in Duitse musea. Deel 2

Lutz Libert: Het tabaksmuseum van Vierraden

Inga Junhem: Het museum voor tabak en lucifers van Gubbhylan in Skansen/S

David Higgins: Adrian Oswald (1908-2001)

Verwijzingen/verwijzingen naar bijeenkomsten

Grenzgebieden van het kleipijpenonderzoek

Adressen van de medewerkers

Index van de gebruikte afkortingen

   
 

No. 15/2002, p. 4 e.v.
Ralf Kluttig-Altmann: Bericht over de sessie van de werkkring voor de onderzoeking van de kleipijp van 28 tot 30 april 2001 in Grefrath

25 deelnemers namen aan die samenkomst deel op verzoek van Heinz-Peter Mielke in het Niederrheinischen Freilichtmuseum Dorenburg te Grefrath. Het feit dat die samenkomst op duits/belgisch/nederlands grensgebied gebeurde bood de mogelijkheid aan om bewuster te worden van de enge verbindingen die, hoodzakelijk in de 18/19de eeuw , bestaan hebben op gebied van productie, verspreiding en verbruik van kleipijpen in een streek die nu door grenzen gedeeld wordt.
Het werd ook de leidende draad van de uitstappen naar Weert/NL (Museum "De Tiendschuur" en Pijpenoven van de familie Trumm-Bergmans)en Andenne/B (Musée de la Céramique en Piperie Léonard).
De volledige tekst van dit artikel vindt U hier.




 

 

Pfeife

zoom

No. 15/2002, p. 8-18
Rüdiger Articus: "Pijpen hebben altijd bestaan" Over de geschiedenis van het bestuderen van de kleipijp in de 19de eeuw.

Aan de hand van vele originele bronnen geeft de auteur een overzicht over de vroeger vaak geziene verbinding tussen op archeologische vindplaatsen gevonden kleipijpen en voorhistorische of antieke archeologische vindplaatsen en overeenkomende culturen. Sedert de jaren 1820 werden bij opgravingen op Keltische of Romeinse vindplaatsen, vooral in Zuid-Duitsland, steeds kleipijpen gevonden en, daar de vroegere pijpvormen van de 17de eeuw al in de vergetelheid geraakt waren, werden ze aan deze culturen toegeschreven.
De geleerden uit Duitsland en Midden -Europa van de 19de et de vroege 20ste eeuw konden het idee niet verdragen dat een zo alomtegenwoordige culturele verworvenheid als het roken ooit aan onbeschaafde Amerikanen geleend werd - Europese, bij voorkeur antieke, wortels moesten gevonden worden! Alhoewel men zich in het midden van de 20ste eeuw in het algemeen verwijderde, vinden deze oude opvattingen vandaag toch soms plaats in tentoonstellingen, woordenboeken en andere publicaties. Een naar aanleiding hiervan nog niet bevredigend opgelost probleem zijn de metaalpijpen, ook sedert de 19de eeuw gevonden, die misschien plaatselijke imitaties waren van de Hollandse kleipijpen.

 

 

 

No. 15/2002, p. 19-34
Michael Schmaedecke: Met bloemen versierde pijpenstelen uit Zuid-Duitsland en aangrenzende streken. Aanpak tot een systematiseren van producten voornamelijk uit het gebied Mannheim/Frankenthal

In de verleden jaren werden in Zuid-Duitsland en de aangrenzende streken bij archeologische onderzoeken talrijke met bloemen versierde pijpenstelen gevonden. In het voorgestelde onderzoek wordt geprobeerd, aan de hand van verschillende criteria (zetten van de prent, van de schrift, patroon enz.), groepen te vormen waarin ook kleine fragmenten, zoals ze in archeologische vindplaatsen voorkomen, geklasseerd kunnen worden.



Kleipijpen met florale versiering van Julius West in Mannheim, uit de jaren 1690


Daar deze indeling op alle hiërarchische niveaus omvangrijker kan worden, en het om een open systeem gaat, zal het zonder probleem mogelijk zijn verdere nog niet beschouwde groepen - ook van andere afkomst - in het schema te integreren. In het ideaal geval - waarvan we nog zeer verwijderd zijn - zou de indeling in groepen tot de identificering van bepaalde pijpvormen leiden.



Kleipijp met florale versiering van M. Kesselhum

 

 

 












Afrollen van de steelversiering
         

No. 1572002, p. 35-50
Regina Geiss-Dreier: De kleipijpenvindplaats van Schloss Oberstein

De tabakspijpen uit klei gevonden op Schloss Oberstein getuigen dat ten laatste vanaf de tweede helft van de 17de eeuw de gewoonte van het roken ook 'an der oberen Nahe' in gebruik was. Het roken werd, lijk het voor andere burchten bewezen is, door de franse troepen van Lodewijk XIV ingevoerd tijdens de 'Reunionszeit' en de 'Pfälzischen Erbfolgekrieg'.
De kleipijpen zijn naar hun naam- en plaatsgegevens grotendeels afkomstig uit de werkplaatsen van de Palts, in het bijzonder uit Frankenthal.
Dit geldt ook voor talrijke pijpen met nieuwe tot nu toe niet identificeerbare merken en voorletters. De vindplaats van Idar-Oberstein levert het bewijs dat de handel van kleipijpen uit het gebied Mannheim-Frankenthal niet alleen naar het zuiden maar ook naar het noorden en het noordwesten plaatsvond. Schloss Oberstein is de tot nu toe noordste vindplaats. De pijp met ronde bodem uit het jaar 1736 toont dat ook in de 18de eeuw tabak werd verbruikt of Schloss Oberstein. De 'Wortmann-Pfeife' verwijst naar de kleipijpen van de Westerwald in de eerste helft van de 18de eeuw.



Kleipijp van de pijpenbakker Otto Kissius van Frankenthal met de merk "OK" op een driehoek

Men blijft het antwoord tot nu toe schuldig op de vraag of kleipijpen ook uit hollandse werkplaatsen ingevoerd werden. Het zal pas mogelijk worden na de verwerking van de nog niet zorgvuldig onderzochte vondsten, waaronder in het bijzonder de gepolijste kleipijpenstukken en de exemplaren met een versiering die van de meerderheid afwijkt. Men kan toch nu al vaststellen dat de invoer uit Nederland zich tot de 18de eeuw beperkt.


 

 

No. 15/2002, p. 51-64
Helmut Szill: Kleipijpenvindplaats te Erdings. Deel 2

Overheersend op de vindplaats van Erdings zijn gladde en versierde pijpen uit de 17de eeuw. Naast het grote aantal modellen ligt de betekenis van de vondsten vooral in de veelvuldige fragmenten met voorletters. Ze verschijnen insgelijks merken en ook als en reliëf voorletters op de zijden van de koppen of van de hakken.
Komen namelijk voor "TCB", ISC", "CB", "RV" en "LP" alsook verschillende combinaties op eenzelfde pijp. Bij dit eerst materiaalvoorstellen is het niet mogelijk om elk model nauwer te vergelijken met gelijke of zeer gelijkende vondsten. Toch blijkt duidelijk dat het verbreidingsgebied van de voorgestelde pijpen, niettegenstaande hun relatief mindere kwaliteit, zeer breed is en zich over de hele Zuid-Duitse ruimte uitstrekt. Bij gebrek aan het toevallige treffen van een archeologische vondst of een archiefstuk moet men in de huidige stand van het onderzoek de herkomst met de algemene benaming "Zuid-Duits" bestempelen.
Een nauwkeurige lokalisatie van de zeker niet ondebuidende productieplaats(en?) wordt alleen maar mogelijk gemaakt door het ontcijferen van de merkenvoorletters.


 

 

 

 

 

 

Plan Detail

zoom

No. 15/2002, p. 65-71
Natascha Mehler: Tabak en kleipijpen in IJsland in het licht van de vindplaats van Reykjavík, Aðalstræti

Met deze bijdrage worden voor het eerst kleipijpenfragmenten uit een vindplaats gelegen in Ijsland voorgesteld en in hun cultuur- en geschiedenis samenhang ingevoegd. In vergetelheid geraten schriftelijke bronnen bewijzen dat men in Ijsland in de loop van de 18de eeuw minstens tijdelijk tabak heeft gepoot. Kleipijpen daareentegen werden niet in Ijsland gefabriceerd, maar langs een omweg bij deense tussenhandelaars uit Holland, Engeland en Scandinavië ingevoerd.
De over het geheel 268 pijpenfragmenten uit de vindplaats Reykjavík, Aðalstræti 14-16, waar in de 18de eeuw een wolfabriek stond, zijn grotendeels afkomstig uit Holland (Gouda), andere uit Denemarken (Stubbekøbing en København) en Engeland (Bristol). Steelopschriften verwijzen naar zes pijpenmakers, namelijk: "F.VERSLU" (Franz Verzyl) en "LUCAS DE IONGE" uit Gouda, "R TIP PET" (Robert Tippet) uit Bristol, "A·ROSS" (Alexander Ross) en "S·Fe" (Severin Ferslew) uit Denemarken. De identiteit van de naam "WVVELSEN" blijft onvast.


 

 

No. 1572002, p. 72-78
Heinz-Peter Mielke: Het Nederrijnse kleipijpenland. Over de verspreiding van de pijpenbakkerij tussen Köln en Nederland

De Nederrijn is altijd een afzetgebied geweest voor de kleipijpen uit Westerwald en Nederland. Nochtans werd er tussen Köln en de nederlandse grens steeds geprobeerd om kleipijpenfabrieken te vestigen voor de bevoorrading van de lokale en gewestelijke markt. (Pijpenbakkersoorden in de Nederrijn)
Deze pogingen hebben gedeeltelijk bijval en gedeeltelijk beperkte efficiëntie gekend rekening houdend met de invloed van de politieke omstandigheden. Voor de periode tussen de vroege 17de eeuw (Wesel vanaf 1638) en de tweede wereldoorlog (Hoisten) werden 14 productieoorden geteld, waaronder Neuss een speciale plaats inneemt, omdat kleipijpen er slechts veredeld werden, d.w.z. van een keramische glazuur voorzien.



Klacht van de Pruisische Oorlogs- en Domeinenkamer
aangaande de nederzetting van pijpenbakkers in oorden van de Nederrijn;
uit: Wochentliche Duisburgische Adresse- und Intellegentz-Zettel, jaar 1750


 

 

 

No. 15/2002, p. 79-84
Bärbel Bollinger-Spang/Martin Kügler: Van kleipijpen naar terracottabloempotten

De "Westerwälder Blumentopffabrik Spang GmbH & Co. KG" te Ransbach-Baumbach/Westerwald biedt het voorbeeld aan van een onderneming die op tijd de behoefte heeft verstaan om haar productie te veranderen indien ze voort wilde bestaan. Wilhelm Spang (1876-1952) heeft in 1912 de pijpenfabriek verlaten die zijn vader Johann Peter Spang in 1884 gesticht had, want het wereldwijde verval van de kleipijp was niet te negeren, en hij heeft gezocht naar andere mogelijkheden.

 


Wilhelm und Christina Spang met hun kinderen, ca. 1932

Hij is erin geslaagd om te overleven tijdens de economisch moeilijke periode gaande van 1918 tot 1945 door zich te specialiseren in de fabricage van keukengerief uit met zout geglazuurde steengoed, en van rode zonder vernis terracotta bloempotten, en door het bexijs te leveren van enorm veel handelszin en vindingrijkheid op gebied van technische aanpassing. Zijn zonen hebben de firma, sedert de jaren 1950, tot de leader gemaakt van de fabricage van bloempotten.

 


 

 

 

No. 15/2002, p. 85-89
Ralf Kluttig-Altmann: Richtlijnen voor het tekenen van kleipijpen

Het tekenen van een archeologische vondst moet aan de waarnemer een substituut ter beschikking stellen, dat weliswaar niet identiek kan zijn, maar wetenschappelijk relevante informaties inhoudt. Opdat een tekening zoveel mogelijk (optische) informaties over een onderwerp zou leveren zijn tekenstandaarden nodig.
De volledige tekst van dit artikel vindt U hier.

 

 

 

 

 





Een van de oudste bewijsstukken van het roken in Saksen: pijpkop van nederlandse afkomst, rond 1620
 

No. 15/2002, p. 90-95
Martin Kügler: Kleipijpen van het Schönhof in Görlitz

Ter gelegenheid van renovatiewerken in het historische complex van het Schönhof te Görlitz werden in de bodemvulling van de eerste verdieping een paar kleipijpenfragmenten uit de 17de en 18de eeuwen gevonden. De oudste kleipijp is rond 1620 te dateren en als uit Nederland ingevoerd beschouwd worden. Deze merkwaardige vondst van het Schönhof is aldus een van de oudste tastbare bewijzen van het tabakroken in Saksen.
Bijzonder interessant zijn vier fragmenten van pijpen met ronde bodem, cilindervormige kop en duidelijk kromme steel. De vorming gebeurde in een tweedelige pijpenvorm zonder gegraveerde versiering; de versiering werd door de pijpenmaker met de hand aangebracht pas nadat hij de pijp uit de vorm had genomen. De exemplaren uit het Schönhof betreffen kleipijpen die in grote hoeveelheid in Breslau/Wroclaw (PL) en Zittau uitgegraven werden. Er bestaat dientengevolge een grond om te aanvaarden dat een beduidende productieplaats moet hebben bestaan in de tweede helft van de 17de eeuw in het Saksen-Silezië gebied of in een van deze drie steden.

Kleipijpen uit het Schönhof in Görlitz met manuel aangebrachte versiering op de kop; onbepaalde afkomst, tweede helft van de 18de eeuw

De zeer verbrokkelde fragmenten uit de 18de eeuw behoren misschien tot de tot nu toe nog niet bekende pijpenmakersfamilie Wille in Frage, die van 1777 tot kort na 1830 bezig was in Görlitz.


 

 

 

No. 15/2002, p. 96
Martin Kügler: Een Jonas-pijp uit de 18de eeuw

Een ongewoonlijk pijpmodel werd onlangs in twee exemplaren aan het licht gebracht in verscheidene vindplaatsen van Stockholm/S. De kop vertoont in reliëf een mannelijk gezicht, met sterke wenkbrauwen, een grote gebochelde neus en een lange afgeronde snor, die aan de Jonas-pijpen uit de 17de eeuw herinnert. De twee pijpen, met de hielmerk "voet" dragen op de linkerzijde van de hak de wapens van Gouda. Op grond van de kopvorm komt slechts een datering (ca. 1750) in aanmerking, en de mogelijke fabrikanten zijn derhalve Jan Osterhout of Thomas Verhage. Het patroon van de Jonas-pijpen is voor dit tijdperk, de tweede helft van de 18de eeuw, zeer ongewoon, daar de productie van dit pijptype volgens de huidige stand van de onderzoeking om 1700 eindigde.

 

 

 


Pijpfragmenten van John Newall, Cleobury Mortimer, periode 1680-1710
  No. 15/2002, p. 97 e.v.
David Higgins: Bericht over de ontdekking van een pijpenoven bij Cleobury Mortimer, Shropshire/GB

Op een veld van de Barnsland Farm, ca. 1,5 km zuidwestelijk van Cleobury Mortimer, werden reeds in 1948 verspreide kleipijpenfragmenten ontdekt. Een proefuitgraving in 2001 toonde dat de plaats ongestoord was en dat ze de fundering van een gebouw bevat. De basen van stenenmuren en talrijke overblijfselen van een pijpenoven kwamen te voorschijn. De vondsten - kleipijpen, ovenstukken en keramiek - zijn tussen 1640 en 1720 te dateren; wat de resten betreft van de pijpenoven kan men nauwkeuriger naar de jaren 1680-1710 verwijzen.
Sommige kleipijpen zijn met "IN" gemerkt. Het huis en de pijpenbakkerwerkplaats behoorden met grote waarschijnlijkheid, hetgeen schriftelijke documenten ook bewijzen, tot de pijpenbakker John Newall, die in 1719 overleed. Zijn testament van 2 maart 1718 of 1719 is eveneens bewaard alsook de inventaris van zijn bezit op 21 mei 1719. Newall maakte deel uit van deze landelijke handwerkers die naast de landbouw een neveninkomst zochten in een bedrijf waarin alleen familieleden deelnamen. Daar geen andere pijpenmakers in de omgeving bekend zijn zal hij in de naburige oorden genoeg klanten gevonden hebben. Nochtans bewijst het feit dat zijn pijpen gemerkt waren dat hij zijn productie ook op grotere markten aanbood.


 

 

 

 

No. 15/2002, p. 98 e.v.
Martin Kügler: Kleipijpen uit Gelbeek/RSA

Op de ongeveer drie vierkante kilometers grote ruimte van een reusachtige drijfduin bij Geelbek/RSA werden naast een groot aantal steentijdse resten ook resten van latere nederzettingen gevonden. Negen kleipijpenfragmenten werden aan het licht gebracht waaronder alleen maar drie merken vertonen. Deze kleipijpen zijn afkomstig uit Gouda en werden rond 1750 of in de tweede helft van de 18de eeuw gefabriceerd en naar Zuid-Afrika uitgevoerd.

 

 


Kleipijpen van nederlandse afkomst, gevonden in Geelbek/RSA
 

 

 

Home
KnasterKOPF
Werkgroep
Sitemap
Search (in English)
Contact
Impressum

Letzte Aktualisierung: 10.07.2005